17 april 2026
Gebruikers online: 0

De Riet-Zanger (Column Herman Slurink)

Geplaatst op: 7 maart 2026 Gepubliceerd door: Enrico Kolk

De afgelopen dagen waren er weer van die fraaie ochtenden na een koude nacht: geen zuchtje wind en boven de trekgaten een blauwe waas die meteen verraadt wat er gaande is. De rietsnijders zijn aan het werk en ergens smeult al een eerste hoop rietafval.

In deze tijd van het jaar lijkt het alsof het landschap zelf begint te zingen. Niet alleen de vogels laten zich horen rond en op de Wieden, ook het riet, de rook en het zachte geknisper van het vuur voegen hun eigen geuren en geluid toe aan het seizoen.

Zang en geur, het zijn de signalen die diep opgeslagen gevoelens wekken. Dan weet je: de rietsnijders trekken het land in. Ik zie het al meer dan zestig jaar gebeuren. En toch maakt mijn hart nog altijd dat kleine sprongetje wanneer ik de eerste rookpluimen zie opstijgen boven de trekgaten. Alsof je het voor het eerst ziet.

Het landschap verandert in een paar dagen tijd. Rietvelden die maandenlang het uitzicht verborgen hielden worden geschoren alsof een reus er met een tondeuse doorheen is gegaan. De horizon schuift naar achteren en de ruimte lijkt zich te verdubbelen.

De rietsnijders bewegen zich over het natte land als een stille oogstploeg. Een romantisch schilderij komt tot leven. Het heeft soms iets van de maand augustus: overal mensen aan het werk, families die samen het land in trekken, handen die weten wat ze doen. Rietsnijden is een kunst, een ambacht.

Het gesneden riet wordt bijeengepakt en schuinweg als stoepen tegen elkaar gezet. Daarna wordt het rietafval verwijderd en de gezonde stengels in schoven gebonden en opgestapeld.Het afval wordt verzameld en aangestoken. Eerst een aarzelend kringeltje, daarna een stevige pluim die langzaam over de Wieden uitwaaiert. De geur trekt door de lucht, door de dorpen, door je jas en door je herinneringen.

Voor mij is dat de geur van het vroege voorjaar. Mijn geboortehuis stond haast tegen de trekgaten aan en die geur katapulteert mij moeiteloos terug naar de tijd dat het leven nog vooral bestond uit zwerven. Hutten bouwen, eieren zoeken, tot je middel in het moeras wegzakken en zeiknat thuiskomen. En natuurlijk dat ene grote moment waarop je als jochie een afvalbult in brand mocht steken. Je stonk een uur in de wind, maar de sensatie was onbetaalbaar.

Het gekke is: die geur maakt je rustig. Een beetje weemoedig misschien ook. Altijd weer ken ik momenten van ontroering bij de aanblik van de stoepen in het avondlicht of op de vroege morgen, piramides van goudbruin riet. Je ziet me daar dan ook telkens weer. Alsof je geroepen wordt door stemmen van oer, van oorsprong. Alsof het riet een deur opent naar een tijd waarin de wereld ongerepter was en vrijer. Toen je nog zonder bordjes “verboden te betreden” de natuur in kon verdwijnen.

Gelukkig hebben onze kinderen ook nog een staartje van die tijd meegemaakt. Ze kwamen eens lijkbleek thuis omdat een vuurtje bij hun zelfgebouwde hut ineens groter werd dan bedoeld. Het liep goed af. Zo kunnen levenslessen wellicht nog eens een geur van rook oproepen.

Deze week stond ik weer even stil bij zo’n rokende hoop rietafval. De rietsnijder op de foto stond er middenin. En ik dacht opnieuw aan wat ik al jaren denk: Voor mijn gemoed werkt riet ongeveer zoals wiet. Je wordt er rustig van. Je gaat er langzamer van lopen. En je hoofd loopt vol van herinneringen en je hart vol liefde. Dat je soms ruikt als een rookworst neem ik maar voor lief. Voor mij is het gewoon de geur van De Wieden in het voorjaar.

Herman Slurink